1. Applet hoeken 1.2

 

In deze applet zie je 4 verschillende figuren met allemaal een andere hoek. Bepaal of de volgende hoeken bij figuur 1, 2, 3 of 4 horen.

 

  1. 168 3
  2. 90 4
  3. 20 1
  4. 137 2

 

  1. Applet hoeken 1.1

 

Bereken de grootte van de gevraagde hoek van de 4 figuren. Probeer het zonder rekenmachine.

  1. hoek W1 = 90 , hoek W3 = 43. Hoe groot is W2?

W2 is 47. Bij elkaar moet het 180 zijn. 180 43 90 = 47.

  1. hoek S1 = 70, hoe groot is S2?

Hoek S2 is 110. Bij elkaar moet het 180 zijn. 180 70 = 110.

  1. hoek V1 = 62, hoe groot is V2?

V2 is 118. 180 62 = 118

  1. hoek Z1 = 50 en hoek Z2 = 40, hoe groot is hoek Z3?

Z3 is 90. 40 + 50 + 90 geeft samen 180.

 

  1. Applet aflezen grafiek

 

Op deze applet is een grafiek te zien waarop enkele punten zijn aangegeven. De grafiek gaat over het verband tussen de tijd en de temperatuur.

 

A.

Welke temperatuur hoort bij 5 uur? Ongeveer 3,8 C

En welke temperatuur hoort bij 7 uur? Ongeveer 2,6 C

 

B.

Op welke tijdstippen was de temperatuur 2? Om 0:30 en 7:30

En op welke tijdstippen was de temperatuur 1,5? Om 0:15 en 7:45

 

C.

Wat was de temperatuur op de punten D, C en B?

D = 3,9 C

C = 3 C

B = 0 C

 

 

 

 

 

 

  1. Verschillende functies

 

Je ziet hier 4 verschillende functies. Welke functie hoort bij welke lijn?

 

  1. 2x 8
  2. x2 + 9
  3. 8/x
  4. √x

 

Aan de vorm kun je zien welke functie bij welke lijn hoort.

2x 8 is een evenredig verband. Deze hoort bij de rode lijn, het is gewoon een rechte lijn.

X2 + 9 is een kwadratische functie. Een kwadratische functie geeft een parabool. In dit geval geeft de blauwe lijn een kwadratische functie weer.

8/x is een omgekeerd evenredige functie. Deze functie geeft een hyperbool. In dit figuur de paarse lijnen.

√x is een wortelfunctie. Een wortelfunctie heeft als kenmerk dat het een duidelijk beginpunt heeft, in dit geval dus de groene lijn.

 

 

 

  1. Applet aflezen Cordinaten

 

Bepaal van de volgende punten in de grafiek wat hun cordinaten zijn.

 

A = (2 ,1)

B = (5 ,3)

C = (4 ,-1)

D = (-2 ,-1)

E = (-3 ,3)

F = (0 ,-1)

 

  1. Applet hoeken 1.3

 

Je ziet 2 figuren met meerder hoeken. Enkele hoeken zijn gegeven. Probeer de andere hoeken te berekenen door de regels die je geleerd hebt over hoeken.

 

Figuur 1.

De hoeken B1 en A1 zijn allebei 53, zoals je kunt zien. Bereken de andere 6 hoeken.

Door gebruik van de regel van de overstaande hoek kun je B3 en A3 berekenen. Deze zijn beide ook 53.

Een gestrekte hoek is 180. A1 + A2 zou dus 180 moeten geven. 180 53 = 127. Hoek A2 = 127. A4 is de overstaande hoek van A2 en dus ook 127.

B2 = A2 en B4 = A4. B4 en B2 zijn dus ook beide 127.

 

Figuur 2.

Alleen hoeken I1 en I3 zijn gegeven. Probeer ook de andere 5 te berekenen.

I1 = 27. Door middel van het gebruik van de Z-hoek, weet je dat K2 ook 27 is. K1 is dan 143, 143 + 27 = 180.

I3 = 45. Ook hier kan je gebruik maken van de Z-hoek, waardoor je weet dat J1 ook 45 is. J2 is dan 135, 135 + 45 = 180.

Hoek I2 is 108. 180 45 27 = 108.